geschiedenis

Zoektocht naar de geschiedenis van de “Elbe”

Nadat wij de Elbe hebben gekocht, hebben wij geprobeerd de geschiedenis van het scheepje te achterhalen en vast te leggen. Zeker Peter Bosman en David Steen zijn hier enorm behulpzaam bij geweest.

In de periode 1996 tot ongeveer2015 is onderstaand relaas tot stand gekomen. In de loop der jaren blijken oude vondsten en aannames geen stand te kunnen houden en moet de geschiedenis na 2020 voor een beperkt deel worden herschreven. Om een beeld van de zoektocht te geven is het verslag van 1996 tot 2015 toch integraal opgenomen.

De geschiedenis van een scheepje uit Ditzum.

Deze geschiedenis is opgetekend aan de hand van verhalen en  gegevens van Lüke Meinders (Lulu), dhr. Oltmans, Martin (?) Schröder , Werner Paul en Harmanus Bruhns uit Ditzum en Albert Wehner, Bernd Wessels, Gerd Hulsebosch, Johan Heuten, Wilhelm Lange e. a. uit Leer/Leerort en in het bijzonder ook van David Steen uit Ditzum/Carolinensiel, die veel archiefonderzoek heeft verricht. Verder heeft Frits Loomeyer als een van de eerste Nederlandse eigenaren de nodige informatie verzameld.

Over de beginperiode van de Elbe is niet zo heel veel bekend. Vele verhalen deden en doen, in de periode dat wij de geschiedenis van de Elbe proberen te achterhalen, de ronde in Ditzum en Leerort. Zo zou, volgens Frits Loomeyer en Joachim Kaiser [in zijn ‘Register über den Restbestand Deutsche Segelschiffe 1980-1986] de Elbe als Elbe in 1914 in opdracht van de “ Kaiserliche Marine”, als zeilende kabellegger met houten vlak en midzwaard  in Hamburg zijn gebouwd.  Herbert Karting en Joachim Kaiser zouden hiervoor, in het , ten tijde van de Tweede Wereldoorlog, grotendeels vernietigde Schiffsregister in Hamburg, aanwijzingen hebben gevonden .

Joachim Kaiser houdt er echter  ook rekening mee dat de Elbe als vrachtvaarder is gebouwd in de periode 1895-1908 omdat er veel overeenkomsten zijn met de zgn “ Heckschiffe mit Holzboden”. Na 1908 is dit type en bouwwijze snel in onbruik geraakt.

Mogelijk is het scheepje in de eerste wereldoorlog geconfisqueerd om dienst te doen voor de marine en heeft het zijn “Kaiserliche”  geschiedenis via de  “Oral history” meegekregen.

Volgens informatie van Bernd Alm (uit Tangsted/Rade) zou de Elbe mogelijk een voormalig “Lazarettschiff” zijn dat gebruikt is in de haven van Hamburg.

In  1930 duikt de Elbe op als ‘Fischereiaufsichtsboot’ in de haven van Ditzum, te zien op een ansichtkaart welke staat afgebeeld in het boek  “Ein Sielhafen im Wandel” in het hoofdstuk onder redactie van David Steen en in het jubileumboekje van de ‘Bültjer-Werft’ uit 1999.

De ansichtkaart zou afkomstig zijn uit de verzameling van dhr. Schröder  (overleden 2006) maar was destijds jammer genoeg bij hem  niet meer te vinden.

Opvallend aan de foto is o.a. de lichte kleur van het scheepje, een klein opbouwtje achter en ook voor de mast  en de (zeil)mast met lange top.

Volgens de gegevens van Joachim Kaiser en Frits Loomeyer wordt het scheepje vanaf 1939 als ankerkuilvisser (Hamenfischer) gebruikt.

Kortom vele verhalen, veelal mondeling overgedragen en moeilijk met feiten te staven.

Wel is het bekend dat het scheepje zeer lange tijd eigendom van de familie Annäus Eilderts Bruhns uit Ditzum is geweest en na intensief onderzoek zijn over deze periode vele feiten boven water gekomen.

De familie Bruhns is een  oud vissers geslacht dat al vanaf 1810 in Ditzum bekend is.

De tak van de familie Annäus Bruhns, bestond, in de periode dat de Elbe eigendom was van de familie, uit (groot)moeder Anna Bruhns-Huisken (1822-1926), zij is 104 jaar geworden en was min of meer een bezienswaardigheid van het dorp gezien haar zeer hoge leeftijd. Zij sierde menig ansichtkaart. Haar zoon Annäus Eilderts (geb. .20-1-1856-overl. 2-5-1928) is waarschijnlijk in 1881 getrouwd met  Elize Uden  (geb….- overl….). Zij kregen 5 kinderen.

Van de kinderen uit dit huwlijk, was Annette,”Netje” (geb. 2-6-1887, overl. 7-10-1974), de oudste, dan de zonen Eilert (geb. 21-1-1890 overl. 1959) en Reemt (geb. 30-5-1893, overl. 15-4-1973), Ook zijn er nog een meisje en jongen geweest die beiden op jonge leeftijd zijn overleden.

De kinderen Bruhns zijn allen ongetrouwd gebleven en zijn als familie tot ieders overlijden bij elkaar blijven wonen in de Pfefferstrasse 44, Ditzum (het huis heeft tegenwoordig nummer 13 en werd tot in 2007 bewoond door dhr Oltmans).

Het gezin Bruhns heeft zich, voorzover bekend, altijd met de visserij bezig gehouden. Hiervoor waren er in de familie verschillende scheepjes, waaronder een kleine schokker/aak die uit Moddergat-Paesens afkomstig moet zijn geweest en de Elbe.

1910-1939

Volgens archiefonderzoek van David Steen, in diverse archieven en uit een kartonnen doos met foto’s en papieren, welke terecht is gekomen bij de familie van Frau A. Häntschel, als erfgename van Annette Bruhns, zijn de volgende feiten en bevindingen boven water gekomen.

Een van de zaken welke uit de doos tevoorschijn is gekomen is een schuldbekentenis van de familie Annäus Bruhns. Gezien het moment van lenen zou het kunnen zijn dat met dit geleende geld de Elbe betaald is. De datering, 10 november 1920, komt echter niet precies overeen met de data van inschrijving in het visserijregister en verzekerings papieren maar zit tussen deze twee akties in.

Volgens de registratie  van een akte van het  Visserijambt in Altona,  nog geschreven op formulieren uit de  tijd van het “Königreich Preusen”, welke in de nalatenschap van Annette Bruhns is aangetroffen, is de Elbe, met registratie nummer DIT 61 op 8 maart 1920 ingeschreven onder nummer 16 ( !?) in het scheepsregister voor visserijschepen op naam van Annäus Eilderts Bruhns. Volgens dit register heeft de Elbe dan een opbouw, een mast en motor en moet het registratietekens voeren op zowel de boeg als op de zeilen .

Op 26 maart 1921 wordt de Elbe op de verzekeringspolis  onder nr. 46 ingeschreven. De verzekering gaat met terugwerkende kracht in per 1 januari 1921. De waarde wordt dan vastgesteld op 15.000,00 mark  Als eigenaar wordt Annäus E. Bruhns ( vader) aangegeven en als schipper wordt zoon Eilert genoemd.

Volgens deze polis is de Elbe dan 11 jaar oud!

Dit zou betekenen dat de Elbe gebouwd is in 1910 en niet in 1914 zoals op de(2e) meetbrief uit 1948 staat aangegeven.

De 1e meetbrief, volgens de 2e uitgegeven op 7 september 1920, zou dus afgegeven zijn toen de Elbe ongeveer 6 maanden eigendom was van de Familie Bruhns.

Mogelijk dat de datering niet correct is en dat het scheepje ouder is zoals Joachim Kaiser vermoedt.

Het is bekend dat Eilert een periode in Canada aan de walvisvangst heeft meegedaan. Volgens de verhalen van o.a. Frau Schröder, vanaf 1947 buurvrouw van de familie Bruhns aan de Pfefferstrasse,  zou hij  op verzoek van zus Annette zijn teruggekomen om met de Elbe te gaan vissen en om zijn broer Reemt een beetje onder controle te houden gezien zijn verkwistende levensstijl.

Hoe lang Eilert met de Elbe heeft gevist, voordat Reemt het roer heeft overgenomen, is niet duidelijk.

 

Wel lijkt het onwaarschijnlijk dat de Elbe rond 1930 als visserijinspectievaartuig in de omgeving van Ditzum heeft gediend. Enerzijds omdat toen het scheepje al 10 jaar eigendom was van de familie Bruhns en anderzijds omdat bij het Fischereiamt in Bremerhaven alleen het schip de “Ost Friesland” als dergelijk vaartuig bekend is. Volgens Wolfgang Hagena van dit bureau zou het als inspectievaartuig onder het Fischereiamt in Hamburg-Altona gediend kunnen hebben. Dit zou dan in de periode van de bouw tot aan de overdracht aan de familie Bruhns in 1920 geweest moeten zijn . Waarschijnlijk bestaan de archieven van deze dienst niet meer. In de herinnering van Albert Wehner heeft de Elbe oorspronkelijk een mooie, (te mooie) intimmering gehad voor een visserij scheepje. Wat een mogelijke functie als inspectievaartuig zou kunnen rechtvaardigen, maar dan wellicht op een ander terrein als de visserij. Een verband met de overlevering, dat de Elbe in opdracht van de Kaiserliche Marine gebouwd zou zijn, is dan ook mogelijk te leggen. Toen Frits Loomeyer, Fokko Bos en Jochem de Jonge in 1978 de Elbe kochten waren er nog verschillende blokken aan boord waarop het Keizerlijke wapen is te zien. Volgens Harmanus Bruhns  ( een verre neef van Reemt, Annette en Eilert en geboren in 1935) kwamen deze blokken echter wel meer voor omdat ze voor de oud-ijzer prijs in Wilhelmshaven te koop zouden zijn geweest….

1939-1948

Na het overlijden van vader Annäus Eilderts (1928), zijn Eilert, Reemt en zus Annette, (“inclusief 24 katten en 8 schapen” vlg. Lulu Meinerz) samen in het huis in de Pfefferstrasse, nabij de haven van Ditzum, blijven wonen. Dit is de periode die de wat oudere inwoners van Ditzum (rond 2000), zich nog goed kunnen herinneren.

In de herinnering van de mensen uit Ditzum is het scheepje altijd  (vanaf 1939 volgens Joachim Kaiser, doch dit moet dus eerder zijn geweest zoals we reeds zagen) in eigendom van  Reemt Bruhns geweest en heeft het in zijn Ditzumse periode altijd onder visserijregistratieteken /-nummer  DIT 61 gevaren.

Overigens wordt in de ” Deutscher Fischerei Almanach” van 1939 Eilert genoemd als eigenaar van het schip en lijkt het dat Reemt formeel nooit eigenaar is geweest en dat het eigendom, na het overlijden van Eilert, is overgegaan op Annette terwijl Reemt er mee viste. ( Zie hierover ook de opmerking bij de periode “1948-1955”).

In deze  periode  wordt er zeer intensief met de Elbe gevist en zijn de opbrengsten hoog.

Vangsten van 1500 pond paling per nacht (!) waren in de periode dat de paling trok geen  zeldzaamheid .

De techniek die men toepaste was de ankerkuilvisserij (Hamenfischerei). Hiertoe werd de Elbe voor anker gelegd met aan beide zijden van het schip een groot trechtervormig net.

Volgens  de overlevering was Reemt een zeer bekwame palingvisser en was hij mede geliefd in het dorp omdat hij de opbrengst van de visserij voor een groot deel in drank omzette samen met zijn dorpsgenoten. Hij trakteerde  die dan rijkelijk, bij voorkeur in zijn stamkroeg Hotel Haarms in Leer. Maar ook het Ems-Paviljon in Leerort, (dat ook door de gebroeders Bloem veelvuldig werd bezocht, hierover later meer) was een geliefde plek (en vlakbij de ligplaats van de Elbe)

Ook was Reemt  niet te beroerd om degene die hij mocht, in te wijden in de geheimen van de visvangst.

 De bijnaam van Reemt, ‘Der Kaiser’, was dan ook mede  op deze kwaliteiten en eigenschappen gebaseerd.

Mogelijk speelt de mogelijke herkomst van het scheepje (Kaiserliche Marine) hierin ook nog een rol. Ook de opmerking van Hinni Bültjer, van de Bültjer-werf, toen Frits Loomeyer in 1978, nadat het scheepje in Nederlandse handen was overgegaan, de haven van Ditzum binnenvoer en Bültjer sprak “kiek moal, doar hebb’n wie das Kaiserliche Jacht  ja wieder”, zou hierop kunnen wijzen.

Volgens de verhalen wordt omstreeks 1940 het scheepje, mogelijk, geconfisqueerd door de “Deutsche Wehrmacht”, samen met de houten schokker (afkomstig uit Moddergat Paesens) van de fam. Bruhns, om deel te nemen aan de invasie op Engeland (“Operation Seelöwe”). Hiertoe zouden  beide schepen zijn versleept naar Antwerpen en Le Havre. Doordat de invasie niet is doorgegaan (de operatie Seelöwe werd na ongeveer 1 jaar afgeblazen) zou de Elbe weer zijn teruggekeerd en kan de lucratieve visserij weer voortgaan. De schokker komt niet terug omdat het getroffen wordt bij een bombardement in Le Havre. Volgens Siegfried Borgschulze is het niet aannemelijk dat de Elbe voor de landing op Engeland geconfisceerd is omdat het scheepje op dat moment geen motor zou hebben gehad.

De “Deutsche Seefischerei-Almanach für 1939” lijkt dit te bevestigen. Hoewel de gegevens van Herbert Karting aangeven dat de Elbe in deze periode wel een motor zou hebben gehad.

Ook op de meetbrief uit 1948 wordt vermeld dat het scheepje op dat moment wel (weer) is gemotoriseerd. (zie periode 1948-1955)

.

Echter volgens Lüke Meinders (geb.1938) en Werner Paul (buurjongen van de fam. Bruhns, geb.1949) heeft de Elbe in de Ditzumse periode nooit een motor gehad. Harmanus Bruhns een neef van de familie en in 2007 82 jaar ( geb. 1925), kan zich nog wel een motor herinneren. Deze gebruikte echter zoveel benzine(!) dat deze niet zo lang dienst heeft gedaan en is uitgebouwd.

 Om het schip, nadat de motor was uitgebouwd, op de plaats te krijgen waar het voor anker ging werd daarom gebruik gemaakt van de getijstroom en een paar stevige roeiriemen welke in dollen ter hoogte van het zijwant werden gelegd. Zittend op het dek kon dan met twee man geroeid worden.

Aan de binnenzijde van het boeisel waren voor de vervanging van het boeisel de mogelijke bevestigingspunten van de dollen nog aanwezig.

 (De roeiriemen liggen in 2007 nog bij dhr. Oltmans op zolder, evenals het oorspronkelijke zeil en de gaffel. De maten hiervan zijn opgenomen)

Volgens Gerd Hulsebosch had het scheepje in 1972 een motortje in het achteronder. Mogelijk werd dit voor de lieren gebruikt. Er is in het achteronder niets gevonden dat wijst op een motortje en het vermoeden is dan ook dat hier sprake is van een vergissing.

Overigens is het de vraag of de beschreven motor al bij de bouw is geïnstalleerd. Het is opvallend dat wanneer het onderwaterschip wordt bekeken er sprake is van een “zeilromp”. Een schroefraam o.i.d. is niet te vinden. Ook de “rauwe” schroef opening in het roer, te zien op de foto’s van Kai Veenstra, is een aanwijzing dat de motor, bij de tewaterlating, nog niet aanwezig geweest zal zijn.

Een volgend opvallend punt uit de meetbrief zijn de genoemde afmetingen.Breedte 4,26m en  diepgang [ of wordt holte bedoeld] 1,29 m, lijken correct. De lengte echter  wordt als 11,53 opgegeven terwijl deze in werkelijkheid 1  meter langer is. Zou hier sprake zijn van een ambtelijke vergissing, de waterlijnlengte (zie Joachim Kaiser) of kwam de afwijkende maat goed uit i.v.m vergunningen, havengelden e.d. ?

Zie aanhangsel.

1948-1955

In 1948 wordt er een nieuwe meetbrief uitgeschreven door het Seeschiffsvermessungsambt en zou het scheepje door Eilert op naam van de zuster van Reemt, Annette, zijn gezet. (volgens Harmanus Bruhns, Frau Annelise Schroeder en Frits Loomeyer) De reden dat dan het scheepje niet op naam van Reemt komt is wat schimmig maar heeft mogelijk met juridische problemen van Reemt te maken. i.v.m vergunning, drank en vrouwen (Reemt is in deze periode ingetrokken bij Frau Ahnen en haar dochtertje in Leer ) of een combinatie hiervan. Annette en Eilert zouden bang geweest zijn dat Reemt het familiekapitaal er doorheen zou jagen.

In de “Zweite Ausfertigung” wordt, evenals in de akte van het scheepsregister uit 1920, gesproken over een ‘Segelschiff mit Motor’ (zie hiervoor ook voorgaande opmerking S. Borgschulze)

Een aantal zaken op deze meetbrief zijn opvallend.

Het betreft hier een ‘Zweite Ausfertigung’ d.d. 25 maart 1948, de eerste is van 7 september 1920. Deze datum is een half jaar na de inschrijving in het scheepsregister op naam van vader Annäus Eilderts Bruhns.

Ondanks dat de Elbe nu op naam van Annette zou staan  blijft Reemt er nog tot ongeveer 1955 mee vissen. Eilert gaat met fuiken aan de gang; hij overlijdt in 1959.

In deze periode is Reemt ook ‘in dienst’ op het baggerschip van Martin Schröder (geb.:         overl. 2006) uit Ditzum omdat dhr. Schröder de benodigde papieren dan nog niet heeft en Reemt wel. Het verhaal hierover was dat “Schröder kon varen maar het niet mocht (was Schröder toen nog te jong?. Vanaf 21 jaar kon je je patent halen) en Reemt mocht varen maar het niet kon”. Vandaar dat de werkzaamheden van Reemt zich beperkten tot koffie zetten en eieren bakken aan boord.

Mogelijk dat er in deze periode ook niet intensief meer met de Elbe gevist werd. Dit is echter niet zo duidelijk. Het gegeven dat de palingvisserij seizoensgebonden was, er werd immers alleen tijdens de trek van de paling gevist, kan ook een mogelijke verklaring zijn.

Harmanus Bruhns kan zich nog de naam van palinghandelaar Visser uit het Nederlandse Heeg, (Friesland), herinneren,. Een naam die in het verhaal “Palinghandel”, opgetekend door Hylke Speerstra, ook voorkomt en een beeld geeft van deze periode.

In het Staatsarchiv Aurich is een brief (d.d.13-9-1952)  gevonden van Reemt aan Fischmeister Oeljeschläger waarin hij zich beklaagt over de last welke hij heeft van Jan Bloem (Leerort) die te dicht bij de Elbe is gaan liggen met zijn scheepje (een oude omgebouwde “Torf Mutte”  reg.nr. Leerort IV). Op de plek waar hij, Reemt, al 25 jaar(!) ligt. Daar Reemt alleen maar grofheid en onbegrip bemerkt bij Jan Bloem verzoekt  hij de inspecteur van de visserij om hulp. De affaire wordt, volgens een verslag van de Wasserschutzpolizei in een brief van 22 september 1952, door tussenkomst van de politie opgelost.

Om op de Eems te mogen vissen had (heeft ?) men een zgn “Schiffliegestelle” nodig. Had men deze dan kon men naar keuze ergens gaan liggen op de voorwaarde dat men minimaal 300 meter uit de buurt van  andere schepen bleef en oude rechten (lees: lig/visplekken) gerespecteerd werden.

De “Zeitung Rheiderland” doet verslag van het zinken van het scheepje van Jan Bloem  op 13-10-1954. Jan Bloem slaapt aan boord maar kan zich in veiligheid brengen.  De Mutte gaat verloren  en Jan en Heiko moet uitkijken naar een ander scheepje.

1955-1973

Na ruim 30 jaar trouwe dienst voor Reemt (zonder ooit een kwastje verf als dank te hebben gekregen) wordt de Elbe in 1955, Reemt is dan inmiddels 62 jaar, opmerkelijk genoeg wel verpacht (!) aan de broers Jan en Heiko Bloem.

Jan Heike Bloem, geb.28-10-1913 en overleden op 11-12-1982 in Leerort, en Heiko Bloem, geb. 18-6-1923, overleden 17-1-1998 in het “Altenheim” in Leer, waren beide vrijgezel en woonden samen op de hoek  Burgweg/ Johan von Soestweg in Leerort.

Jan was de visser/schipper van de Elbe terwijl Heiko de netten onderhield , de fuiken maakte en repareerde en het huishouden gaande hield.

Beide broers hebben in de tweede wereldoorlog verwondingen opgelopen (mogelijk ten gevolge van een beschieting/bombardement van Leerort?) Jan had ernstige littekens in het gezicht en Heiko had de overblijfselen van verwondingen aan zijn been en liep hierdoor slecht. Om deze reden zijn er van Jan maar zeer weinig (slechte) foto’s gevonden omdat hij , volgens zijn schoonzus Frau”Herman” Bloem, niet graag op de foto wilde.

Frau Bloem woont in 2008 nog tegenover het huis/de plek waar Jan en Heiko hebben gewoond, en heeft de broers dan ook tientallen jaren gekend en meegemaakt…..

 

Ook de broers Bloem hebben voorspoedig met de Elbe gevist.

Naast paling, (maar ook schol, bot , “Stint” en “Maifisch”( een wat mindere vis die in de naoorlogse periode toch aftrek heeft i.v.m. de slechte voedsel situatie)) en drank, blijft geld een belangrijke rol spelen in de geschiedenis van de Elbe.

Evenals Reemt waren Jan en Heiko geen onderhoudsliefhebbers. Volgens  de verhalen uit zowel Ditzum als  Leerort is er nooit een cent in het scheepje geïnvesteerd terwijl de verdiensten altijd hoog geweest zijn. Ook vishandelaar Walter Stumpf, die in 2005 nog zijn winkel dreef in de Woerde 20 in Leer, beaamde dit.

Overigens hadden Jan en Heiko meer met Reemt gemeen. Zij waren eveneens vrijgezel en deelden ook  de liefde voor drank en vrouwen , die in grote mate bij het (later, in 1973 afgebroken) Wirtshaus “Ems Pavillion” (“Specialität : “Räucheraal und Liquor””) voorhanden waren.

Grootse drankgelagen, waarbij de 9 (!) bardames van het Ems paviljon ook hun partij meebliezen en waarbij de politie meerdere malen heeft moeten ingrijpen i.v.m. overlast, waren een regelmatig terugkerend verschijnsel nabij de veerstoep en haven van Leerort en de verhalen hierover doen nog steeds de ronde.

Zo waren volgens de overlevering “beide broers slecht ter been, de één tengevolge van de oorlog, de ander tengevolge van de drank”.

Het scheepje ligt,  in deze periode, voornamelijk, als het niet aan het vissen is, in Leerort, bij de voormalige veerstoep nabij de Jan Berghaus Brücke over de Eems.

Tijdens de perioden dat de paling op trek was en er dus gevist kon worden, lag de Elbe tegenover Leerort op de samenvloeiing van de Leda en de Eems voor anker. Plaatselijk bekend als “ Plümhorn” (pruimenhoek). De plek waar Reemt ( en mogelijk eerst Eilert) ook altijd met de Elbe hebben gelegen.

Volgens een foto van Albert Wehner bezit de Elbe in 1964 nog het reg. nummer Dit 61.

 Het registratieteken/nummer wordt in 1966 gewijzigd in LEE 1   en op naam van Jan Bloem gesteld. De gegevens van het visserijarchief in Bremerhaven bevestigen dit.  Van Wolfgang Hagena ontvangen we onderstaand kopie van de inschrijvingskaart in het Visserij register.

Het blijkt echter dat, volgens de verhalen uit Ditzum, het eigendom bij Annette (en Reemt) blijft.

Interessant is dat volgens de mensen in Leerort (Frau Bloem, Wilhelm Lange en Johan Heuten) de Elbe eigendom van de gebroeders Bloem zou zijn geweest.

Het schijnt zelfs tot een rechtszaak gekomen te zijn voor het gerecht in Papenburg (?), Leer(?), Aurich (?)  toen Jan en Heiko weigerden om nog langer pacht te betalen, reeds twee jaar achterliepen met het betalen van de pacht en claimden dat het schip inmiddels van hun was (!) Wanneer dit precies is geweest (volgens Lulu Meinerz waarschijnlijk tussen 1960 en 1970) en of hier nog verslagen van  terug te vinden zijn is onbekend.  Ook zou Reemt het scheepje nog een tijdje weggehaald hebben wegens het niet betalen van de pacht. Hoe het precies geweest is blijft vooralsnog schimmig.

 Op 15-4-73 komt Reemt Poppen Bruhns te overlijden en wordt hij 3 dagen later op het kerkhof van Ditzum begraven.

Opmerkelijk is dat volgens de registratiekaarten ( zie boven) van het Fischereiarchiv in Bremerhaven de Elbe in april 1974, dus  na het overlijden van Reemt, wordt verkocht (waarschijnlijk door de gebroeders Bloem(!)) aan R.Meister uit Papenburg.

Mogelijk dat hier de rechtszaak over gevoerd is waarin Annette, als eigenaar/erfgenaam van Reemt, in het gelijk gesteld wordt. Mogelijk dat over deze rechtszaak nog stukken zijn te vinden.( Amtsgericht Leer?)

Na het overlijden van Reemt en het terugdraaien (?) van de verkoop aan R.Meister biedt Annette het scheepje o.a. aan Lüke (Lulu) Meinders aan maar deze heeft al een scheepje (de DIT16) en de staat van onderhoud kent (in al die jaren is de Elbe/DIT61/LEE1 éénmaal, bij Bültjer in Ditzum uit het water geweest).

 Ook bakker Werner Paul, buurman van Reemt en Annette en vismaat van Lüke (“Lüke had de boot en Werner zorgde voor de broodjes”) wilde het scheepje niet hebben. (NB. Werner Paul heeft wel het originele kompas van de Elbe van Annette gekregen en aan ons overgedaan begin 2008; immers: “Es gehört dem Schiff”)

Ook diverse anderen hebben wel belangstelling en proberen in deze tijd het scheepje te kopen waaronder Kai Veenstra  die hierover op 11 augustus 1973 contact heeft met de inmiddels zeer oude, uiterst dove en louter plat pratende Annette. Van haar hoort hij dat ook de sportvereniging van de ‘Wasserschütspolizei’ uit Leer (heeft R.Meister uit Papenburg hier iets mee te maken?) belangstelling heeft en min of meer een optie heeft verkregen. Mede hierom ziet Kai van verdere onderhandelingen af. Wel maakt hij nog een aantal prachtige foto’s van de Elbe op haar ligplaats in Leerort bij de (Zweite) Jann-Berghaus-Brücke en de veerstoep van het voormalige veer over de Eems.

Interessant aan deze foto’s is, dat naast de details, duidelijk is, gezien de slechte staat van het vistuig, dat er op dat moment (medio 1973) niet meer actief met de Elbe wordt gevist. Dit roept de vraag op tot wanneer de gebroeders Bloem actief gevist hebben op de Elbe. En heeft hun (tijdelijke) stoppen wellicht iets te maken met bovengenoemde rechtszaak in Leer/Papenburg (?).

In deze periode doet ook Gerd Hulsebosch moeite het scheepje te kopen en komt met Annette  een bedrag van 2800 DM overeen. De koop gaat echter niet door omdat Heinrich Schepers uit Haren [Ems],  een vriend van Reemt,  de Elbe ook wel wil hebben. Omdat Reemt nog voor zijn overlijden het scheepje al eens aan Schepers heeft beloofd wordt hij de volgende eigenaar.

1974-1978

Nadat Heinrich Schepers, (geb. 1922 en overleden  8-6-1990), de Elbe heeft verkregen gaat hij in samenwerking met zijn neef Adolf Kötter aan de slag en wordt er voor het eerst sinds minimaal 45 jaar geïnvesteerd in het scheepje. Hiertoe wordt de Elbe naar Haren(Ems) versleept om op de werf van Kötter eens flink onder handen te worden genomen. Allerhande oude scheepsonderdelen  die op de werf beschikbaar zijn worden hiervoor gebruikt .

 De oude, volgens Lüke Meinerz, originele mast, die alleen ooit ten gevolge van blikseminslag is ingekort, wordt verwijderd en vervangen door een korte stalen mast om onder de brug bij Haren door te kunnen. De oude opbouw vóór de mast die het, volgens Albert Wehner, mooi betimmerde bemanningsverblijf wat meer stahoogte verschafte, verdwijnt en vervangen door een ander opbouwtje. De houten zetboorden belanden in de kachel om plaats te maken voor een ijzeren railinkje. Ook de oude lieren worden vervangen en last but not least  wordt er  een Deutz motor van 18 pk geplaatst.(reg nr. D141 01 06 01 M 6/18  PK). Gezien de kosten die voor het een en ander gemaakt zullen zijn, moet de verwachting voor een goede vangst bij de heren Schepers en Kötter hoog zijn geweest.

In de loop van 1974 komt de Elbe, nu op eigen kracht, terug in Leerort en neemt zij haar oude plek weer in.

De Elbe krijgt in deze periode de registratie nummers( w-mep-1194 en mep-w-1194) te zien ( zie foto’s)

Volgens de verhalen, welke ook zijn bevestigd door Frau Heinrich  Schepers, is het de bedoeling van Heinrich Schepers om zelf met de Elbe te gaan vissen. Na een seizoen houdt hij het echter voor gezien omdat de vangsten tegen vallen en ook omdat zijn handicap (hij gebruikt een beenprothese) hem parten speelt.

Na de paar laatste vangsten onder familie, buren en vrienden verdeeld te hebben eindigt het professionele bestaan van de Elbe.

Bij een bezoekje aan mevrouw Bernadine Schepers (Frau Heinrich Schepers) in het voorjaar 2008 krijgen we een dik boekwerk (Die Geschichte Europas) en een grote, aardewerken kom die afkomstig zijn van de Elbe en  welke op uitdrukkelijk verzoek van Heinrich Schepers altijd zijn bewaard omdat deze tot de inventaris van de Elbe behoorden. Dit feit is opmerkelijk omdat  juist Heinrich Schepers zoveel van de oorspronkelijke Elbe heeft vernietigd.

(NB. Ten huize van Frau Heinrich Schepers bevindt zich ook de oude haardplaat uit de woning van de familie Annäus Bruhns, Pfefferstrasse 44, Ditzum).

In 1974, om precies te zijn op 7-10-1974  overlijdt Annette Marie Wilhelmina Bruhns op 87 jarige leeftijd [geb 2-6-1887]. Haar vriendin, Frau Häntschel krijgt de erfenis, waaronder het huis van Annette, omdat zij de laatste jaren voor haar heeft gezorgd. Dit huis wordt verkocht aan en tot 2007 bewoond door de heer Oltmans. Haar buurvrouw (sinds 1947) Frau Annelise Schröder die ook veel voor Annette heeft gezorgd kan in haar huis, dat ook eigendom is geweest van Annette, en vroeger werd bewoond door de grootmoeder van Annette, Anna Bruhns-Huisken, blijven wonen.

In 2006 en 2007 hebben we na moeizame gesprekken met de heer Oltmans op zolder mogen kijken naar de spullen van de Elbe die daar nog zouden liggen.

Inderdaad hebben we daar zeilen, giek, roeiriemen en wat scheepsbeslag gevonden naast meer algemene visserijspullen als netten, fuiken, manden enz. waarvan we aannemen dat zij naar alle waarschijnlijkheid aan de Elbe hebben toebehoord. Hiervan zijn foto’s gemaakt en afmetingen genoteerd). Helaas wilde de heer Oltmans niets kwijt en is het meeste na diens overlijden in de afvalcontainer terecht gekomen.

1978-1996

Na een paar pleziertochtjes wordt,  in 1978,  de Elbe, uit naam van Schepers door Adolf Kötter verkocht aan  Jochem de Jonge, Fokke Bos en Frits Loomeyer  die het scheepje in Nederland invoeren op 27-juli 1978. Als waarde wordt een bedrag van 2273,00 gulden opgegeven.

Hoewel de liefde voor het scheepje, zeker bij Frits diep zit wordt de Elbe op 24-2-1979 al weer doorverkocht aan Jan Karskens.

Jan gaat er,  met de middelen en mogelijkheden die hem ter beschikking staan,  hard tegen aan. De Elbe  wordt tot ELBE 1 gedoopt en opnieuw onder zeil gebracht. Een van de ingrijpendste klussen is het vervangen van het houten vlak door een stalen vlak en het plaatsen van een andere Deutz motor (type mah 220 18 pk nr.  813978  bj. 1937)

De nieuwe  thuishaven wordt het Overijsselse Haerst aan de Vecht waar de ELBE 1, vlakbij het fiets/voet-veerpontje, ligplaats kiest.

 Vele jaren vaart Jan er mee met wisselende bemanningen. Waarbij de tocht “Sailbrugge binnendoor” in 1985  waarschijnlijk het best gedocumenteerd is. Maar ook de vele andere tochten hebben tot de verbeelding gesproken afgemeten aan het aantal keren dat wij benaderd zijn door voormalige opstappers  met  uiteenlopende verhalen.

Vanaf ongeveer 1990 komt de klad er een beetje in, verdwijnt de mast [verrot] en vaart Jan alleen nog op de motor.

1996-heden

In 1994 komen Greet en ik de Elbe in Alkmaar op het spoor en slaat er een vonk over. Het zal echter nog tot 1996 duren voordat Jan Karskens afstand van het scheepje wil doen.

Maar op 12-4-1996 is het dan toch zover en mogen Greet Nijmands en Wim Sluiters zich de gelukkige eigenaren noemen van ongeveer 20 ton roest.

Tot zover het verslag over de zoektocht naar de geschiedenis van de Elbe. Opgemaakt in de periode van 1996 tot ongeveer 2015.

Voor een verslag van de restauratie zie onder het kopje “Restauratie”.

De vroege geschiedenis komt nog een stukje dichterbij

Na vele jaren niets meer over de periode, voorafgaand aan de Ditzumse tijd, te hebben ontdekt, zijn er begin 2021  via Facebook een paar prachtige foto’s en een stuk geschiedenis over de Elbe opgedoken over de periode 1900 tot 1918

Uit onderzoek van Ulf Buhse en André Konietzko ( uit Kollmar resp. Elmshorn) wordt duidelijk dat de Elbe in de periode 1900 tot 1918 eigendom is van Willy (Wilhelm Ferdinand) Sietas (geb.24-5-1872 overl.26-7-1953) uit Bielenberg en dat het scheepje dan gebruikt wordt als tonnenlegger/bebakeningsvaartuig.

Ook in het overzicht van “Handel und Gewerbe”, uitgaven 1910 en 1912, wordt Willy Sietas in de rubriek “Marineverwaltung” als Tonnenleger genoemd. Aangenomen mag worden dat dit op dat moment op de “Elbe” is omdat het scheepje in deze periode ingeschreven/verzekerd is bij het “Schiffergilde “Einigkeit”” in Elmshorn en op naam van Willy Sietas staat.

Op de foto is te zien dat de Elbe op dat moment geen zijzwaarden heeft. Dit bevestigt het gegeven dat de Elbe reeds bij de bouw met een midzwaard is uitgerust. Op het ondiepe water en de vele droogvallende haventjes zou een kiel ook onhandig zijn geweest. Ook het niet meer bestaande haventje van Bielenberg viel destijds droog.

In 1918 komt er een stoomscheepje  in Bielenberg ( met eveneens de naam “ Elbe”) als bebakeningsvaartuig waarop Willy Sietas gaat varen als kapitein. Wat er op dat moment met “onze” Elbe gebeurd, is onduidelijk. Mogelijk heeft het liggen wachten tot dat Annäus Eilderts Bruhns het overneemt……

Met de vondst van bovenstaande foto’s en gegevens is een belangrijk stuk geschiedenis duidelijk geworden.

Maar…….

Of er ooit nog meer gevonden zal worden zal de tijd leren. Misschien krijgen we nog antwoord op de verschillende vragen die wij nog hebben.

Na de vele, al dan niet met harde feiten gestaafde verhalen via de “oral history”, de “kartonnen doos” (letterlijk) waar David Steen mee aan kwam zetten en waarin we hebben mogen grasduinen, de gegevens uit diverse archieven en de verrassende foto’s en informatie via “Facebook”, blijven we zoeken om het hele verhaal rond te maken en krijgen we mogelijk nog antwoord op onderstaande vragen.

-Hoe zou Annäus Eilderts Bruhns het scheepje “ontdekt ” hebben. Advertentie, van horen zeggen of anderszins?

-Welke (voormalige) werven zouden de Elbe gebouwd kunnen hebben en waar waren deze gevestigd?

-De constructie van het boeisel/potdeksel is afwijkend van het gebruikelijke (in Nederland!) Biedt dit een handvat voor verder onderzoek?

-De gietijzeren bolders en ander beslag aan boord van de Elbe zijn niet uniek maar geven mogelijk een aanwijzing voor de bouwer en het moment van bouwen.

-Bij de restauratiewerkzaamheden is gebleken dat op veel plaatsen de plaatdikte ongeveer 6,4 mm dik was. Was dit een gebruikelijke plaatdikte?

-Als in 1948 de meetbrief opnieuw wordt opgemaakt zou de Elbe op naam van Annette Bruhns gekomen zijn. Zou hier nog een formele bevestiging van te vinden zijn?

-Als er inderdaad sprake is van een rechtszaak tussen de gebroeders Bloem enerzijds en Annette en Reemt Bruhns anderzijds zouden de verslagen hiervan nog te achterhalen zijn en zo ja waar?

-Bij welke archieven e.d. zou ik nog een poging kunnen wagen om informatie te verkrijgen, m.n. ook over de periode van vóór 1900?

Kortom er zijn nog vele vragen. Als er wellicht nog mensen zijn die iets over de Elbe en haar geschiedenis te vertellen hebben of nog foto’s of andere gegevens bezitten over het scheepje dan houden wij ons aanbevolen. Zie hiervoor de contact gegevens en mogelijkheden op de “Contact” pagina in deze site.